Economie 101, deel 2: De centrale bank

In het vorige artikel heb ik uitgelegd hoe banken werken: het geld wat ze van mensen krijgen, lenen ze weer uit. Dus als alle mensen die geld bij de bank hebben staan dat allemaal tegelijk opeisen, gaat de bank failliet. Dit wordt dan een bank run genoemd. Met een bank run is uiteraard niets mis: als een bank het vertrouwen verliest, is dat niet anders dan als een krant lezers verliest, of een supermarkt geen mensen meer trekt na een aantal voedselschandalen.

De regering behandeld banken echter anders als iedere andere sector van de economie. Er is daarom geen sprake van een vrije markt, waarin banken failliet kunnen gaan. Nee, als banken problemen hebben, dan springt de regering met belastinggeld bij. Maar dat gebeurd niet zo vaak, omdat dat erg in het oog loopt.

Regeringen hebben daarom een ander systeem in het leven geroepen: de centrale bank. In een volgend artikel zal ik uitleggen waarom de centrale bank de schuld is van de huidige economische crisis, maar nu slechts wat een centrale bank doet in dit systeem van het fractionele reserve bankieren.

Als een bank niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen doordat teveel mensen hun geld ophalen, leent een bank dit geld bij de centrale bank. De centrale bank moet ervoor zorgen dat een bank niet omvalt. Er is uiteraard geen centrale supermarkt die zorgt dat supermarkten niet failliet gaan, maar dus wel een centrale bank. Zonder een centrale bank heeft het system van fractionele reserves veel problemen. Maar met een centrale bank is het mogelijk dat banken die anders allang failliet waren gegaan, steeds groter en groter worden, en niet omvallen, omdat de centrale bank bijspringt indien nodig. Dus de normale markcorrectie is afwezig: als een bedrijf slecht geleid wordt, gaat het bedrijf failliet. Als een bank slecht geleid wordt, gebeurd er niets, want als de klanten weglopen drukt de centrale bank, bij wijze van spreken, er zo even wat geld bij.

Fractionele reserve bankieren is niet de enige mogelijke manier van bankieren. Zoals gezegd heet het andere systeem volledige fractionele reserve bankieren: Er zijn uit de historie diverse banken bekent die dit hebben toegepast. Een bekend voorbeeld in Nederland was de Amsterdamse wisselbank (opgericht in 1609):

"Het is duidelijk dat gedurende deze hele periode [1609-1772] de Amsterdamse Wisselbank feitelijk een 100 procent reserve in contanten aanhield. Dit stelde haar in staat om in alle crisissituaties aan iedere aanvraag voor contante uitbetaling van gedepositeerde florijnen te voldoen. Dit was het geval in 1672, toen de paniek, veroorzaakt door de Franse dreiging, voor een massale opvordering bij Nederlandse banken zorgde, waarvan de meeste betaling moesten opschorten (zoals dat gebeurde met de banken van Rotterdam en Middelburg). De Amsterdamse Wisselbank was de uitzondering, en het had logisch gezien dan ook geen probleem om deposito's terug te geven. Resultaat was een toenemend en blijvend vertrouwen in haar onkreukbaarheid, en de Amsterdamse Wisselbank werd alom bewonderd door de beschaafde economische wereld."

Overheden houden niet van dit soort banken, en daarom worden ze in de loop van de geschiedenis dan ook altijd beroofd. Door de overheid, zoals ook in Nederland geschiedde:

"Jammergenoeg begon de Amsterdamse Wisselbank in de jaren 1780 de juridische principes waarop ze gefundeerd was, systematisch te schenden. Bewijs laat zien dat dit gedurende de vierde Engels-Nederlandse oorlog was. De reserveratio daalde toen drastisch, omdat de stad Amsterdam eiste dat de bank een groot aandeel van haar deposito's uitleende om de groeiende publieke uitgaven te dekken. Zo kwam het dat de deposito's samen twintig miljoen bedroegen, terwijl er slechts edelmetaal ter waarde van vier miljoen florijnen in de kluizen zat; wat aangeeft dat de bank niet alleen het essentiële principe van veilige bewaring schond waarop ze gebouwd was en waarop haar bestaan gedurende meer dan honderdvijfenzeventig jaar was gebaseerd, maar dat de reserveratio van 100 procent gereduceerd was tot minder dan 25 procent. Dit betekende het definitieve verlies van de langdurige reputatie van de Amsterdamse Wisselbank: deposito's begonnen vanaf toen langzaamaan te verminderen, en in 1820 waren ze geslonken tot minder dan honderdveertigduizend florijnen."

Berend, vandaag las ik in de

Berend, vandaag las ik in de Volkskrant (pag. 14) een interessante bijdrage van Prof. Heertje met de kop "We zien niet meer waar het echt om draait". Hij legt uit waar het in de kredietcrisis in essentie om draait, althans in zijn visie. Ik wil dit graag onder je aandacht brengen, want zijn opinie trekt de kwestie wat breder en laat een hele andere kant van de medaille zien.

Massa's (vermeende) deskundigen filosoferen momenteel over de vraag wat de oorzaken en gevolgen zijn van de crisis. Wat de zin hiervan ook zij, uiteindelijk gaan deze gesprekken en discussie's vaak over geld. Degenen die denken dat dit een open deur is, slaan de plank volledig mis, want het is volgens Heertje een eenzijdige benadering. Economie draait immers om de verdeling van schaarse middelen. Deels kunnen die middelen worden uitgedrukt in geld, maar deels ook niet (denk aan luchtkwaliteit, verdeling en inrichting van vrije tijd, geluk en vrijheid in je werk -afgezet tegen je salaris- en welzijn en geluk in algemene zin). Uiteindelijk gaat het om behoeftebevrediging. De markt wordt heilig verklaard, ook door politici. Er wordt teveel gekeken naar monetaire eenheden en de nadruk op het bnp als graadmeter voor de stand van het land is een deelwerkelijkheid. Het feit dat uitsluitend cijfermatig wordt gedacht, (economische groei, toename van ons salaris), wijt hij aan een intellectueel tekort bij politici en burgers. Het welvaartsbegrip is momenteel teveel ingesnoerd tot datgene wat je wel in geld kunt uitdrukken. De mens heeft echter meer behoeften.

Ik vind het een zeer relevante bijdrage aan de nogal eenzijdige (lees: cijfermatige) wijze waarop de crisis door velen (ook onder ons als christenen) wordt benaderd. Ik wil niet zeggen dat "geld" (zoals bedoeld door Heertje) niet relevant is. Sterker nog, Heertje laat m.i. onterecht onbesproken dat geld voor veel mensen een belangrijk en onmisbaar middel is om behoeften te bevredigen. Ook dat kent an sich al zijn grenzen (de economische wet van de afnemende meeropbrengsten; de curve gaat een keer naar beneden). Maar ik ben hem eens dat velen zich teveel focussen op een deelfacet. Daardoor kan het zicht op de (veel bredere) werkelijkheid worden ontnomen of vertroebeld.

Je moet het zelf weten, maar naast alle artikelen over de crisis en het aanvoeren van tal van gezaghebbende bronnen over oorzaak en gevolgen van de crisis (heel interessant overigens), kan het denk ik geen kwaad ook eens om deze insteek erbij te betrekken.Je tilt het thema mijns inziens naar een hoger (ethisch) niveau.

groeten,
Arwin